IVO Rotterdam

JeugdzorgPlus en verslavingsproblematiek

/ Werkterreinen / Overig / Projecten Overig 

Verslavingsproblematiek bij cliënten in JeugdzorgPlus instellingen

Klik hier voor de rapportage van deze studie

Vraag- en doelstelling
De laatste jaren is er steeds meer aandacht gekomen voor de kwaliteit en de effectiviteit van de jeugdzorg. Dit geldt ook voor de gesloten jeugdzorg. Om de effectiviteit van de zorgverlening in de gesloten jeugdzorg inzichtelijk te maken is, door het Ministerie van VWS, Jeugdzorg Nederland en de JeugdzorgPlus instellingen de monitor JeugdzorgPlus ontwikkeld.

Uit de resultaten van de monitor JeugdzorgPlus blijkt dat 45% van de jongeren bij aanvang in de JeugdzorgPlus instelling te maken heeft met verslavingsproblematiek. Dit percentage varieert sterk per instelling, van 12% tot 85%. Het IVO voert verdiepend onderzoek uit om inzicht te krijgen in de oorzaak van deze verschillen in prevalentie, in het beloop van verslavingsproblematiek bij cliënten en in de huidige en gewenste aanpak hiervan door JeugdzorgPlus instellingen.
 
Opzet van het onderzoek
Er is deskresearch verricht naar relevante wetenschappelijke literatuur en bestaande (beleids)documenten van de JeugdzorgPlus instellingen over het meten en de aanpak van middelengebruik. De data van de Monitor Jeugdzorg Plus is kwantitatief geanalyseerd. Deze resultaten dienden als input voor kwalitatieve interviews met professionals van vier JeugdzorgPlus instellingen en een groepsinterview met medewerkers die betrokken zijn bij het monitor-registratieproces. Er zijn jongeren in JeugdzorgPlus instellingen geïnterviewd bij wie verslavingsproblematiek is vastgesteld.

Resultaten
De CAP-J A400 code ‘Gebruik van middelen/verslaving’ die in de Monitor gebruikt wordt om middelengebruik vast te stellen geeft geen inzicht in de aard (welke type middel, frequentie van gebruik) en ernst (invloed op het dagelijks leven) van het middelengebruik. De variabele bleek ook onvoldoende valide en betrouwbaar ingevuld te worden. Prevalenties van middelengebruik op basis van de CAP-J A400 variëren van 40% tot 50% bij instroom. Bij uitstroom ligt het geregistreerde middelengebruik lager, tussen 28% en 40%. Cannabisgebruik is verreweg de meest voorkomende vorm van middelengebruik in de JeugdzorgPlus. Jongeren gaan minderen of stoppen met gebruik bij aanvang van verblijf in de JeugdzorgPlus vanwege het gesloten karakter van de instelling, maar met de opbouw van hun verlof neemt bij de meeste jongeren het middelengebruik weer toe.

Jongeren die middelen gebruiken verschillen in de kwantitatieve analyse van de Monitordata dan ook weinig van jongeren die geen middelen gebruiken. Moeilijk te beïnvloeden risicofactoren zijn onder andere pubergedrag, gebrek aan impulscontrole. Jongeren met ene IQ tussen de 75 en 80 zijn extra kwetsbaar voor middelengebruik. Beïnvloedbare persoonsgebonden factoren zijn motieven voor gebruik (blowen inzetten als copingstrategie) en gebrek aan motivatie om te stoppen of minderen met gebruik. Beïnvloedbare omgevingsgebonden factoren zijn het sociale netwerk en de vaak instabiele thuissituatie. Instellingsgebonden factoren hebben vooral te maken met de mate van aanwezige verslavingsdeskundigheid, de cultuur binnen een instelling en de manier waarop maatregelen werden ingezet bij middelengebruik.
 
In de Monitor werd urinecontrole het vaakst geregistreerd als vorm van hulp bij middelengebruik. Hoewel dit technisch gezien geen hulp is, wordt de uitslag van een urinecontrole wel vaal gebruikt als aangrijpingspunt om het gesprek met een jongere aan te gaan over zijn of haar middelengebruik. Soms biedt de JeugdzorgPlus instelling zelf behandeling bij problematisch middelengebruik (bijvoorbeeld Brains4Use of DOK3), bij andere instellingen wordt hulp geboden vanuit externe verslavingszorginstellingen.
Middelengebruik verdient meer aandacht in de Monitor JeugdzorgPlus en in de dagelijkse praktijk binnen JeugdzorgPlus instellingen. De Richtlijn Middelengebruik voor jeugdhulp en jeugdbescherming dient in de dagelijkse praktijk gebruikt te worden. Deze Richtlijn biedt handvatten bij het hanteren van een eenduidige definitie van middelengebruik, het systematisch screenen op middelengebruik en het anticiperen op middelengebruik binnen de JeugdzorgPlus. De aanpak van middelengebruik is maatwerk en vereist niet alleen samenwerking met de jongere, maar ook met zijn of haar systeem.

In dit onderzoeksproject is samengewerkt met vier JeugdzorgPlus instellingen:
SJSJ Almata
Schakenbosch
Het Poortje/Woodbrookers
Horizon Jeugdzorg en Onderwijs


Financiering
ZonMW

Samenwerkingspartner
Horizon Jeugdzorg en Onderwijs

Looptijd
September 2015 –december 2016

Onderzoeksteam
Alice Hammink (onderzoeker)
Cas Barendregt (onderzoeker)
Ester de Jonge (onderzoeker)
Dike van de Mheen (projectleider)