IVO Rotterdam

Zorgaanbod justitiabelen met LVG en DD

/ Werkterreinen / Overig / Projecten - Veiligheid en Overlast 

Zorgbehoefte van, en zorgaanbod voor justitiabelen met triple-problematiek

download hier de publicatie

Opdrachtgever

Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) 

Vraag- en doelstelling
In samenwerking met het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC, onderdeel van Ministerie van Justitie) heeft IVO een onderzoek uitgevoerd naar de omvang van de groep justitiabelen met met triple problematiek (verslaving, co-morbide psychiatrische problematiek én LVG – een licht verstandelijke handicap), de zorgbehoefte en het benodigde zorgaanbod voor deze doelgroep in een ambulante setting. Doel was om inzicht te krijgen in de benodigde aanpassing van het huidige zorgaanbod.

Methode
Op basis van secundaire analyses op beschikbare databestanden is een omvangschatting van de doelgroep gemaakt. Via een quickscan van de wetenschappelijke literatuur is inzicht gekregen in de kenmerken en zorgbehoefte van de doelgroep, en is gezocht naar passende en effectieve interventies. Een telefonische terreinverkenning heeft informatie opgeleverd over het huidige zorgaanbod en de wetenschappelijke onderbouwing daarvan. Tot slot is een expertmeeting gehouden, waarin deskundigen uit diverse sectoren zich hebben gebogen over de inhoud die de zorg zou moeten hebben.

Resultaten
Een analyse van beschikbare gegevens over gedetineerden leidt tot de grove inschatting dat 250 tot 1.150 gedetineerden met triple problematiek in het gevangeniswezen verblijven. Jaarlijks komt 920 tot 4.300 keer een persoon met triple problematiek het gevangeniswezen binnen. Deze cijfers kunnen een onderschatting zijn, vooral van de LVG-problematiek, die op basis van beschikbare data niet goed in beeld te brengen is. Volgens de literatuur en de experts heeft de doelgroep meestal ook problemen op het gebied van wonen en werken, relaties en financiën. Het criminele verleden is doorgaans omvangrijk. De motivatie om zorg en begeleiding te ontvangen is vaak laag. Binnen de groep bestaan echter grote individuele verschillen. Duidelijk is geworden dat geen nieuwe behandelstrategie voor deze doelgroep ontworpen hoeft te worden, maar dat een grondige aanpassing van het huidige zorgaanbod volstaat. Het aanbod moet een 24-uurskarakter hebben, al dan niet intensief. Diagnostiek dient in een vroeg stadium plaats te vinden, met een instrumentarium dat aangepast is aan het niveau van de cliënten en de complexiteit van de problematiek. Een blijvende steunstructuur is nodig, omdat een groot deel van de problematiek een chronisch karakter heeft. De intensieve en continue begeleiding dient door professionals en een beperkt aantal personen uit het netwerk van de cliënt te worden geboden. Dit zou bijvoorbeeld conform de CRA-benadering (Community Reinforcement Approach) kunnen plaatsvinden. Aansluiten bij de motivatie en de mogelijkheden van de cliënten is meer dan gemiddeld nodig, bijvoorbeeld door de zorg zo aantrekkelijk mogelijk te maken en dagbesteding, sport en ontspanning te bieden. Cognitieve gedragstherapieën zijn geschikt, wanneer de nadruk op vaardigheidstrainingen wordt gelegd en wanneer van herhaling, visualiseren, oefenen, positief belonen en – afgaande op eerste signalen – nonverbale methoden gebruik wordt gemaakt. De zorg of behandeling is geïntegreerd, waarbij de verschillende problemen tegelijkertijd worden aangesproken. Tot slot dient er een ‘achtervang’ te zijn in het geval van een crisis of een terugval in middelengebruik, in de vorm van een crisisvoorziening.

Onderzoekers
Soenita Ganpat, Elske Wits (IVO)
H.L. Kaal, M.M.J. van Ooyen-Houben (WODC)