IVO Rotterdam

Doorstromen in de Maatschappelijke Opvang

/ Werkterreinen / MO / Projecten 

klik hier voor een digitale versie van het rapport

Opdrachtgever
GGD Rotterdam-Rijnmond

Vraag- en doelstelling
In Rotterdam verblijft het grootste deel van de dak- en thuislozen in een voorziening voor maatschappelijke opvang. Het beleid van Rotterdam gaat er vanuit dat wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijk niveau van zelfredzaamheid. De woonzorgladder is een model waar de laagste trede staat voor leven op straat en de hogere treden staan voor steeds zelfstandiger woonvormen. Positieve doorstroom staat gelijk aan een stijging op de woonladder, negatieve doorstroom aan een daling op de woonladder.
Vanuit de nachtopvang is de afgelopen jaren een goede positieve doorstroom op gang gekomen (Rooij e.a., 2008). De kunst is nu om mensen in zorg te houden, bij voorkeur op een zo hoog mogelijk niveau van zelfredzaamheid.
In dit onderzoek is nagegaan hoe instellingen bevorderen dat cliënten een zo hoog mogelijk niveau van zelfredzaamheid bereiken en hoe instellingen omgaan met cliënten waarbij terugval op de woonladder dreigt of heeft plaatsgevonden. Doel is om inzicht te verkrijgen in de mogelijkheden om positieve doorstroom te vergroten en uitval te voorkomen.

Opzet onderzoek
In de rapportage is een beschrijving gemaakt van de huidige doorstroompraktijk aan de hand van 32 individuele trajecten die zijn gestart in het kader van het Plan van Aanpak Maatschappelijke Opvang. Deze 32 trajecten zijn in het eerdere IVO-onderzoek ‘Evaluatie van trajectregie’ (Barendregt & Wits, 2009) ook bestudeerd. In een cliënt volgsysteem is nagegaan wat de stand van zaken is rond deze dossiers. De meeste van de betreffende cliënten zijn opgespoord. Hen is gevraagd naar het eigen perspectief op vooruitgang en wat de hulpverlener doet of heeft gedaan om negatieve doorstroom te voorkomen. Ook zijn mentoren en cliëntmanagers van deze cliënten benaderd en geïnterviewd over de positieve of negatieve doorstroom van de cliënt.
Tot slot is met een tiental zorgmanagers gesproken en namen zij deel aan een focusgroep bijeenkomst om de resultaten te verifiëren en te bediscussiëren.

Conclusies
Redenen van terugval of stagnatie op de woonladder lagen op het niveau van de cliënt (bv. intensief middelengebruik of matige zelfredzaamheid), op het niveau van instellingen (bv. onvoldoende of niet passend voorzieningenaanbod) en soms ook op het niveau van de omgeving van voorzieningen (bv. gebrekkige sociale inbedding van een woonvoorziening).

Hulpverleners hebben een pragmatische attitude als het gaat om het bevorderen van doorstroom. Zij passen hun interventies aan de behoeften en mogelijkheden van hun cliënt aan. Streven naar zelfredzaamheid is daarbij een vanzelfsprekend uitgangspunt, maar in het dagelijkse contact staat de situatie op dat moment voorop.

De attitude van veel zorgmanagers is dat het hoogst haalbare geen eindstation is, maar een voorlopig eindstation van het hoogst haalbare op dat moment. Perioden van stabilisatie zijn noodzakelijk om met vertrouwen vervolgstappen te kunnen maken. Doorstroom op de woonladder moet niet de focus zijn van hulpverlening. Wanneer cliënten op andere leefgebieden verbeteren, ontstaat als vanzelf de behoefte aan meer zelfstandigheid.

Aanbevelingen die uit het onderzoek voortkomen betreffen onder andere het onderzoeken van de behoefte en mogelijkheden van uitbreiding van het voorzieningenaanbod, het binden van zorgpersoneel aan voorzieningen ter bevordering van continuïteit van zorgrelaties en het koppelen van ambulante werkers aan kwetsbare personen in de nachtopvang.

Periode
September 2009 – September 2010

Onderzoekers
Drs. Cas Barendregt (onderzoeker), Drs. Barbara van Straaten (onderzoeker), dr. ir. Carola Schrijvers (projectleider)