IVO Rotterdam

Genotmiddelen Goeree

/ Werkterreinen / Drugs / Projecten 

Benaderingswijze van ouders van 10- tot 12-jarigen bij bijeenkomsten over genotmiddelenpreventie op Goeree Overflakkee

Download hier het rapport

Vraag- en doelstelling
Op Goeree Overflakkee is de opkomst bij ouderbijeenkomsten in het kader van genotmiddelenpreventie gericht op 10- tot 12-jarigen redelijk tot goed, maar onduidelijk is op welke manier preventiewerkers ouders het beste kunnen benaderen om de preventieboodschap over te brengen.

Preventiewerkers vragen zich af hoe ouders op Goeree tegen genotmiddelengebruik van jongeren aankijken en wat mogelijke barrières voor hen zijn om met hun 10- tot 12-jarige kinderen op een zinvolle manier het gesprek over alcohol- en drugsgebruik aan te gaan. In dit project is dit onderzocht, en is ingegaan op concrete aanknopingspunten voor:
  • ouders van 10- tot 12-jarigen om genotmiddelengebruik thuis bespreekbaar te maken en
  • preventiewerkers om ouders van 10- tot 12-jarigen te bereiken tijdens bijeenkomsten over genotmiddelenpreventie.

Opzet van het onderzoek
Voor het verzamelen van informatie voor dit onderzoek is allereerst een literatuuronderzoek uitgevoerd. Vervolgens werden telefonisch semi-gestructureerde interviews gehouden met landelijke experts op het gebied van genotmiddelenpreventie, met lokale experts en met ouders van 10- tot 12-jarigen op Goeree Overflakkee.

Resultaten
Zowel uit de literatuur als uit de interviews kwam naar voren dat steeds meer ouders zich ervan bewust zijn dat alcoholgebruik schadelijk is voor opgroeiende kinderen. Daarnaast zien ouders alcoholgebruik door jongeren onder de 16 over het algemeen als onacceptabel, maar naarmate kinderen ouder worden en als ouders zelf (veel) gebruiken worden hun opvattingen milder.

In de interviews werd voornamelijk ingegaan op alcoholgebruik, omdat drugsgebruik op de leeftijd van 10 tot 12 jaar nauwelijks speelt. Uit de interviews met ouders kwam naar voren dat ouders negatiever tegenover toekomstig drugsgebruik staan dan tegenover toekomstig alcoholgebruik.

Uit de interviews met experts kwamen de volgende mogelijke barrières voor ouders naar voren om genotmiddelengebruik met hun kind te bespreken:
  • ouders zijn bang een probleem te creëren door het te bespreken;
  • ouders staan niet open voor het feit dat hun kind (mogelijk) drinkt;
  • ouders missen handvatten / tips om genotmiddelengebruik met hun kind te bespreken;
  • ouders vinden het moeilijk om duidelijke regels over middelengebruik te stellen en daar consequenties aan te verbinden;
  • ouders zijn bang geen invloed op middelengebruik te hebben.

Uit de interviews met ouders kwam naar voren dat zij geen barrières ervaren om met hun kind over alcohol en drugs te praten. De geïnterviewde ouders gaven aan dat alcohol- en drugsgebruik bij hun kind echt nog geen rol speelt. Wat betreft hun invloed op mogelijk toekomstig gebruik gingen zij ervan uit dat die er was, maar in de loop der jaren af zou nemen.

Uit de interviews met experts en ouders kwam naar voren dat het belangrijk is voor ouders om het juiste moment te kiezen om met hun kind te praten over genotmiddelengebruik. Dit kan door aan te haken bij natuurlijke situaties (bijvoorbeeld een Tv-programma over vakantievierende jongeren). Wat de manier van communiceren betreft wezen ouders en experts op het belang van een betrokken en open manier van communiceren over genotmiddelengebruik. Experts vulden dit aan met het stellen van duidelijke regels. De geïnterviewde ouders hadden nu (nog) geen duidelijke regels.

Uit de interviews met experts kwamen de volgende mogelijke barrières voor ouders naar voren om genotmiddelengebruik tijdens preventiebijeenkomsten te bespreken:
  • ouders worden geconfronteerd met hun eigen gebruik en dat brengt hen in verwarring;
  • groepsdruk onder ouders, waardoor zij hun eigen mening niet durven te profileren;
  • onwetendheid hoe de genotmiddelenspecifieke opvoeding aan te pakken;
  • de persoon die de ouderavond verzorgt sluit niet aan bij de ouders, bijvoorbeeld qua levensbeschouwelijke opvattingen.

De (twee) geïnterviewde ouders die naar een bijeenkomst geweest zijn, gaven aan geen barrières te ondervinden om tijdens de bijeenkomst over genotmiddelengebruik te spreken. Er heerste een open, interactieve sfeer, en er was voldoende mogelijkheid om als ouders onderling ervaringen uit te wisselen. Om ouders tijdens bijeenkomsten te bereiken, gaven zowel experts als ouders het belang van interactie tussen preventiewerker en ouders aan als belangrijk middel.

Daarnaast hechtten ouders aan het uitwisselen van ervaringen met andere ouders. Experts wezen daarnaast op het ontzenuwen van misvattingen die bij ouders heersen, zoals het idee dat ouders geen invloed  hebben op het genotmiddelengebruik van hun kind, en het idee dat de hedendaagse maatschappij hetzelfde is als die van vroeger. Door ouders door middel van confrontatie met de werkelijkheid realistische inzichten te verschaffen,  worden zij mogelijk beter bereikt.

Looptijd
September 2012 – april 2013

Opdrachtgever
GGD Rotterdam-Rijnmond

Onderzoeksteam
Drs. Gerda Rodenburg (uitvoerend onderzoeker)
Dr. ir. Carola Schrijvers (projectleider)