Het is een warme dag in een aparte ruimte van een buurthuis in Den Haag. Ik kijk afwisselend op mijn blaadje met vragen, naar de gezichten voor me en op de klok. Ik probeer het focusgroep interview zo goed mogelijk te begeleiden, met ruimte voor ieders inbreng, maar ook rekening houdend met wat ik wil weten voor mijn onderzoek en hoeveel tijd we daarvoor nog hebben. Gelukkig hoef ik het gesprek niet alleen te begeleiden. Twee co-onderzoekers, waar ik op dat moment al een jaar mee samenwerk, helpen me soepeltjes het gesprek door.

Terwijl ik bezig ben met de vragen, de opbouw van het gesprek en de tijd, hebben de co-onderzoekers meteen door wat er in de ruimte gebeurt. Zij merken wanneer iemand dichtklapt. Wanneer een verhaal te dichtbij komt. Wanneer iemand juist herkenning nodig heeft. Of wanneer een vraag te groot wordt. Dan nemen zij als vanzelf een deel van het ‘emotiewerk’ op zich. Ze stellen iemand gerust, slaan een arm om hen heen, geven een voorbeeld uit hun eigen leven of vertragen het gesprek.

Als participatief actieonderzoekers uitleggen waarom het werken met co-onderzoekers belangrijk is, gaat het vaak over hun ervaringskennis. Co-onderzoekers weten uit eigen ervaring hoe beleid, hulpverlening of onderzoek in het dagelijks leven uitpakt. Ze helpen om betere vragen te stellen die aansluiten bij die ervaring. Ze merken wanneer woorden niet kloppen, wanneer een analyse te abstract wordt of wanneer een plan in de praktijk niet zal werken.
Dat klopt allemaal. Maar mijn ervaring is dat deze uitleg nog te smal is. Co-onderzoekers doen zoveel meer dan hun verhaal delen. Ervaringskennis zit namelijk niet alleen in wat iemand vertelt of de analyse die je samen doet. Het zit ook in wat iemand aanvoelt, opvangt, begrenst en mogelijk maakt.

Sarah Banks (2016) noemt dit ethics work: het dagelijkse morele werk dat mensen doen om zorgvuldig te handelen. Dat gaat niet alleen over regels, protocollen of formele ethiek, maar over herkennen wat er in een situatie moreel toe doet. Over emoties hanteren, rollen innemen, relaties onderhouden, verantwoordelijkheid nemen en steeds opnieuw bepalen wat goed handelen vraagt in een bepaalde situatie.

In gesprekken en literatuur over participatief onderzoek lijkt het soms alsof vooral de beroepsonderzoeker dat ethiekwerk moet doen. Maar in de praktijk merk ik dat dit ethiekwerk veel meer gedeeld wordt. Sterker nog: co-onderzoekers zijn er veel beter in dan ik!

Als we co-onderzoekers alleen beschrijven als mensen die ervaringskennis delen, maken we hun bijdrage te klein. Zij maken niet alleen de onderzoeksdata beter. Zij helpen het hele onderzoeksproces menselijker, zorgvuldiger en eerlijker te houden door het constante ethiekwerk dat ze uitvoeren.

Dat ethiekwerk richt zich trouwens niet alleen op deelnemers of op elkaar, maar ook op mij als beroepsonderzoeker. Na ingewikkelde overleggen krijg ik vaak opbeurende woorden. Soms een arm om mijn schouder of een lief WhatsAppje. Soms een compliment op precies het moment dat ik vooral zie wat nog niet goed gaat. En soms krijg ik heel duidelijke tips: dat ik beter voor mezelf moet opkomen, niet alles alleen moet dragen, of scherper moet blijven op de vraag van wie het onderzoek eigenlijk is.

Daar in dat warme buurthuis in Den Haag, maar eigenlijk gedurende het hele onderzoek, voel ik me gesteund en gezien door de co-onderzoekers. Door hun opmerkingen, hun scherpe vragen en hun emotiewerk leer ik beter kijken, beter luisteren en meer bewust te zijn. Dat maakt mij een betere onderzoeker. En ook een beter mens.

Marieke Breed is onderzoeker bij zowel de Haagse Hogeschool als het LUMC. Momenteel werkt ze met verschillende wijk partners aan het Bloesem-project ‘Countering Syndemic Vulnerability’ in Moerwijk, Den Haag. Ze heeft een achtergrond als antropoloog en zorgethica.