Vraag- en doelstelling

Kindermishandeling en adequate toeleiding naar hulp en zorg voor kinderen en ouders is voor Bureaus Jeugdzorg een belangrijk onderwerp. Volgens de meest recente Nationale Prevalentiestudie Mishandeling (NPM) uit 2010 is zo’n 3,4% van de jeugdigen slachtoffer van kindermishandeling. Veel van deze gezinnen waarin sprake is van kindermishandeling worden via Bureau Jeugdzorg doorverwezen naar hulpverlening.
Doel van het onderzoek was inzicht te krijgen in de hulpverlening die bij deze gezinnen wordt ingezet en de wijze waarop de doorverwijzing plaats vindt. We hebben gekeken naar het proces van beoordeling van risico’s, de wijze van vaststellen van de zwaarte van de problematiek en de hulp/interventies waar de gezinnen naar worden doorverwezen.


Opzet onderzoek

Om de onderzoeksvragen te beantwoorden hebben we in totaal 221 dossiers bij drie verschillende Bureaus Jeugdzorg geanalyseerd (Rotterdam, Limburg en Midden en Zuid-Kennemerland). Daarnaast hebben we medewerkers van deze drie en zeven andere Bureaus Jeugdzorg geïnterviewd over hun werkwijze. Tot slot hebben we een verdiepende (kwalitatieve en kwantitatieve analyse) gemaakt van kinderen die getuige zijn van geweld tussen hun ouders.


Resultaten

De problematiek waar Bureau Jeugdzorg mee te maken krijgt is zeer complex. Vaak is er sprake van meerdere vormen van kindermishandeling, werkloosheid of armoede, psychiatrische problematiek, middelenproblematiek en in sommige gezinnen instabiele huisvesting. Om inzicht te krijgen in de hulpverlening waar Bureau Jeugdzorg naar doorverwijst bij specifieke problematiek hebben we het merendeel van de dossiers onderverdeeld in negen profielen. Deze profielen geven een typering van de meest voorkomende situaties en de doorverwijzing die daarbij plaats vindt.
Veel van de gezinnen hebben een lange hulpverleningsgeschiedenis in vrijwillig en gedwongen kader. Vaak is er hulpverlening opgestart maar vroegtijdig beëindigd vanwege een gebrek aan motivatie bij de ouders. Sommige ouders zijn echter niet of moeilijk in staat het hulpverleningsadvies op te volgen vanwege een lichte verstandelijke beperking, psychiatrische problematiek of verslaving. Bij de kinderen is in veel gevallen sprake van externaliserende gedragsproblemen (opstandig, boos en moeilijk gedrag). Internaliserende gedragsproblemen worden waarschijnlijk ondergerapporteerd.
Voor het vaststellen van de benodigde hulpverlening werkt Bureau Jeugdzorg samen met de zorgaanbieders, het gezin en intern met verschillende disciplines. In de meeste gezinnen wordt opvoedondersteuning ingezet voor de ouders of het hele gezin, variërend in intensiteit. Doel hiervan is onder andere het aanleren van opvoedvaardigheden en het stabiliseren van de thuissituatie. Stabiliteit in de thuissituatie is een voorwaarde voor (trauma)hulpverlening voor het kind. Dit is een lastig dilemma. Het stabiliseren van de thuissituatie kan soms lang duren en ondertussen moet er voldoende zicht zijn op de situatie van het kind, zeker gezien het feit dat trauma’s bij kinderen niet direct (zichtbaar) tot uiting komen.


Looptijd

Februari 2014 – december 2014


Opdrachtgever

ZonMW


Publicaties

Onderzoekers

Maartje Cobussen, MSc (onderzoeker)
Alice Hammink, MSc (onderzoeker)
Dr. Ireen de Graaf (projectleider)
Dr. Ir. Elske Wits (onderzoekscoördinator)
Drs. Collin Hoogeveen (Bureau Alpha, adviseur)