Sekse, gender, geslacht, intersekse of non-binair? De verschillen tussen deze termen kennen voor onze onderzoeksgroep geen geheimen meer. Sinds september vorig jaar zijn we actief met onderzoek naar gender- en sekseverschillen in gezondheid dankzij een subsidie van ZonMw. Tijdens een online discussiebijeenkomst brachten we alvast deze thematiek naar de praktijk.

Van collega-wetenschappers tot gezondheidsfondsen en burgervertegenwoordigers: één voor één druppelen ze binnen in onze online vergaderzaal om te discussiëren over de bevindingen van ons onderzoek. Aan mij de taak om deze bijeenkomst in goede banen te leiden. Ik wil dat iedereen begrijpt waar het over gaat en dat iedereen zich veilig genoeg voelt om mee te praten. Academische titels en namen van organisaties zijn tijdens deze bijeenkomst even niet relevant. Bij het voorstelrondje houden we het dus simpel: we vertellen onze voornaam en in welke plaats we wonen of werken. Hierna leg ik uit wat we bedoelen met termen als sekse en genderidentiteit, en dat er meer variaties zijn dan alleen vrouw en man. Mijn collega en ik presenteren onze eerste onderzoeksresultaten. Tussendoor stellen we vragen aan de deelnemers en komt de discussie goed op gang.

In ons onderzoek gebruiken we vragenlijsten met gesloten vragen. We vinden daarmee bepaalde sekse- en genderverschillen, maar de verklaringen daarvoor moeten uit ander onderzoek komen óf moeten we zelf bedenken. Met dat laatste kunnen de deelnemers aan deze bijeenkomst goed helpen, maar dit roept wel veel stereotype verklaringen op. “Rijke mannen zijn asociaal”, horen we voorbijkomen als reactie op een gevonden verband tussen gender en inkomensgroep. En “vrouwen willen een goed voorbeeld zijn voor de kinderen” bij een sekseverschil in redenen om gezondheidsgedrag te veranderen.

Ondanks dat de deelnemers zichzelf ook wel wat ongemakkelijk voelen bij alle stereotypes die voorbijkomen, vinden ze het leuk om mee te denken over onze onderzoeksresultaten. Maar als we de stap maken van onderzoeksresultaat naar de praktijk, trappen deelnemers massaal op de rem. “Er is eerst meer onderzoek nodig”, zegt de één. “De resultaten en verklaringen moeten volledig duidelijk zijn”, vult de ander aan. De consensus lijkt dat we eerst wel een duidelijk probleem moeten aantonen voordat het een optie is om de aandacht te vestigen op sekse- en genderverschillen in de praktijk.

Ook áls we met ons onderzoek een duidelijk sekse- of genderverschil aantonen, is het nog maar de vraag of de praktijk er echt iets mee gaat doen, leerden we tijdens onze bijeenkomst. Je moet dan namelijk differentiëren en dat kost geld. Eén van de deelnemers verzucht dat ze al rekening moeten houden met sociaaleconomische positie en culturele achtergrond en dan óók nog met sekse en gender? “We moeten de zaken niet onnodig ingewikkeld maken”, concludeert hij.

Onze bijeenkomst was een succes in die zin dat we veel ideeën hebben opgedaan en dat de deelnemers het leuk vonden om kennis te maken met ons onderzoek. Maar om de stap van genderonderzoek naar de praktijk écht te maken, is nog veel meer inzet van onderzoek en praktijk nodig. Wij gaan daar de komende tijd mee door!

Prof. dr. Gera Nagelhout is Chief Science Officer bij Onderzoeksinstituut IVO en bijzonder hoogleraar Gezondheid en Welzijn van Mensen met een Lagere Sociaaleconomische Positie bij de Universiteit Maastricht.

Deze blog verscheen eerder op de website van ZonMw.